Omslag
CEPHEÏDE

TAIS TENG



een compleet verhaal
uit de bundel











Leviathan!


    Proloog 2201-2207:

‘Werelden als smaragden parelen,’ declameerde een newsfeed, ‘Aardser dan de aarde zelf!’
    Enthousiasme was wel op zijn plaats, toen, in die oeroude dagen. ­Steden gingen gebukt onder inwonersaantallen die in de miljarden liepen. Lucht en water werden gerantsoeneerd. En nu, ten langen leste, waren de ­sterren­sonden teruggekeerd, de peperdure, akelig geduldige robotschepen.
    De Orionarm bleek bezaaid te zijn met bewoonbare werelden: groene, fotosyntheserende werelden. Wachtend op kolonisten.
    Binnen een maand stegen de eerste schepen op. Metalen Himalaya’s waren het, hun ruimen volgestouwd met miljarden slapende lichamen. Dankzij de nieuwe aandrijvingen duurden de tochten naar de groene paradijzen zelden langer dan enkele weken.
    Kleine plastic bolletjes regenden neer op de onbekende oerwouden. Zij groeiden uit tot steden, fabrieken, rolwegen. Voor het eerst sinds eeuwen kon een man met zijn arm zwaaien zonder een ander in het gezicht te slaan. Kleine kinderen mochten weer gillen.
    Er bleven vragen die niemand hardop durfde stellen. Waarom hadden al deze werelden een identieke biosfeer? Waarom vonden de sondes buiten de Orionarm enkel helse werelden? Koude planeten met methaansneeuw, hete kraterlanden, zwavelige, levenloze woestijnen?
    De technocraten van het MIC, het eeuwenoude Militair Industrieel Complex, huiverden. Te lang was hun baan een goed betaalde sinecure geweest. Zij waren kinderen van de Koude Vrede en hun nieuwe imperium riekte naar kunstmatigheid.
    Toen zij de posities van de nieuwe werelden in kaart gebracht hadden, wisten zij het zeker: ze koloniseerden iemands achtertuin. Deze Aardes lagen alle binnen een immense kegel met een lange as van honderden lichtjaren.
    Zij namen besluiten, deze onverschrokken bureau-soldaten. Enkele continenten schakelden over op nieuwe producten. Zes jaren gingen voorbij.
    Het bevel werd gegeven: een zwerm gleed door de hyperruimte. Mijlenlange schepen, zwart als de nacht zelf, met alle technologische klauwen en tanden die het menselijk vernuft had durven uitdenken.
    Aan de top van de kegel vonden zij het zaadschip.
    Het scheen op hen te wachten: een machine zo groot als een maan. De maker van werelden.

Stel je het voor. De schermen schakelen zichzelf in. Op achtduizend en negen schepen staart een anderling de mensen aan. Het buitenaardse wezen staat rechtop, heeft twee armen, een hoofd, benen. Verder lijkt het in niets op een mens.
    ‘Welkom,’ zegt het met een aangename bariton. ‘Welkom op de werelden van de Ladmohen. Jullie zijn driftig aan het koloniseren geslagen. Misschien was dat enigszins voorbarig?’
    Laserkanonnen richten zich op het gigantische zaadschip, fusiebommen klikken zichzelf op scherp.
    ‘Eigenlijk waren ze voor onszelf bedoeld. Voor de larven van onze larven. Toch, wij zijn, hoe noemen jullie dat? Rai, de kwaadsten niet. Jullie hebben die werelden nodig. Daarom, een voorstel. Een eerlijke strijd. Wij zetten achttienhonderd bewoonbare werelden in.’
    ‘Vloot tegen vloot?’ vraagt een onopvallend burgermannetje die toevallig tachtig procent van alle multimondials bezit. ‘Dat verliezen wij. Gegarandeerd. Jullie moeten ons eeuwen vooruit zijn!’
    ‘Eerder miljoenen jaren. Nee, niet vloot tegen vloot, maar man tegen man. Of juister: mens tegen Ladmohen. Beiden ongewapend. Alleen met wat de natuur ons gaf.’
    ‘Wat gaf de natuur jullie?’ vraagt een generaal. ‘Giftanden? Spieren krachtig genoeg om een stalen staaf te buigen?’
    ‘Niets van dat alles,’ sust de anderling. ‘Lichamelijk is een Ladmohen niet superieur aan een mens. Mentaal ligt de zaak natuurlijk anders. Laten we beginnen met de vijfhonderd werelden die jullie al gekoloniseerd hebben. Zestien werelden per keer. Als jullie winnen, mogen jullie ze hebben.’
    ‘En als wij verliezen?’
    ‘Dan moeten wij ze helaas steriliseren. Jullie krijgen na elke strijd twee dagen de tijd om ze te evacueren. Vloot tegen vloot mag natuurlijk ook. Hoewel ons spel dan wel erg kort gaat duren. Kijk maar eens naar het Galactische oosten.’
    De anderling dooft uit, een stuk sterrenhemel neemt zijn plaats in. Traag, tergend traag, worden een stuk of zestig sterren helderder.
    ‘Ze exploderen, meneer,’ fluistert een astronoom tegen het burgermannetje. ‘Ze gaan nova!’
    De sterrenhemel verdwijnt. Opnieuw blikt de anderling met dingen die misschien ogen zijn naar zijn bezoekers.
    ‘Niet zo eenvoudig, dat,’ zegt het. ‘Al het licht moest tegelijk aankomen. Het kostte ons veertig jaar geleden een halve dag om precies te voorspellen wanneer jullie hier zouden aankomen. De nova’s vormen trouwens het symbool voor onszelf: Ladmohen. In jullie taal betekent het ruwweg ‘de volmaakten’.
    Het burgermannetje slikt, zijn adamsappel hopt op en neer. ‘Ik denk,’ zegt hij, ‘ik denk dat wij meespelen.’
    En zo begon het Spel van de Ladmohen. Zo werden de strijders geboren.


2615 – 2616:

STRIJDER
1. iemand die systematisch geweld gebruikt.
2. iemand die systematisch geweld gebruikt voor het voortbestaan van
   zijn werelden.
    (zie ook: Ladmohen, Spel van de )


    1.
   
Met achthonderd anderen was Narida het gebouw ingegaan. Nu is zij als enige over. Zij kijkt om zich heen. Het vertrek is bolvormig en zonder enig meubilair. De wanden lijken ordinair matglas, vol schokkerige schaduwen.
    ‘Zo, eentje maar?’ De stem komt uit alle richtingen tegelijk. ‘Je kunt nog terug. Niemand zal je iets verwijten. Heb je ook maar enige twijfel, het kleinste, miniemste spoortje van twijfel, ga dan weg.’
    Zij schudt haar hoofd. ‘Ik blijf.’
    ‘Ongetwijfeld heb je onze propaganda bestudeerd. Je weet dus wat je te wachten staat. Onze taak is je te breken. We kunnen geen genade tonen. Als je verliest, sterven zestien werelden, tweeëndertig miljard mensen. Tijdens de training zullen we speuren naar de geringste zwakheid. We zullen ons best doen je te verminken, je te doden. Je kunt beter sterven op Trainingswereld dan tijdens de strijd.’
    ‘Kom ter zake. Dat alles weet ik.’
    ‘Werkelijk? Weet je ook wat je beloning zal zijn? Voor het geval je mocht winnen?’
    ‘Nee? Beloning?’
    ‘Ballingschap.’ Met onmiskenbaar plezier deelt de computer dit mee. Hij is geprogrammeerd met de ziel van de Sade. ‘Meisje, je zult gevaarlijk zijn, levensgevaarlijk. We kunnen je niet loslaten op onze onbeschermde burgers. Les Etoilles Unis zijn definitief verboden gebied voor krijgers.’
    ‘Dat...’ even aarzelt Narida, ‘dat verandert niets.’
    ‘Goed. Ik verplaats je naar Trainingswereld.’
    Zonder enige waarschuwing valt ze. Afstand verdwijnt. Als ijle rook drijft zij door de Melkweg: zij is onvoorstelbaar uitgestrekt en potentieel al dood. Sterren schijnen in haar lichaam.
    Een siddering. Zij trekt samen op een punt, graait met tachyonische velden haar verdwaalde atomen bijeen. Ineens staat zij op Trainingswereld. Naakt en rillend.
    Het is avond. Uit een duistere hemel striemt hagel haar onbeschermde lichaam. Verderop klotst een loodgrijze watermassa. De kilte trekt in haar botten en haar voeten worden gevoelloos.
    ‘Shilna, het moet ver onder nul zijn!’ In de verte glanzen lichten. Een halve kilometer, driekwart? Ze begint te rennen. Een rennen dat dat al vlug strompelen wordt. De lichten dansen voor haar ogen, doemen op tot zij hen bijna aan kan raken om vervolgens terug te wijken tot voorbij de horizon. Zij valt. Op handen en voeten kruipt zij verder. In de sneeuw blijven rode sporen achter. Nu rolt de witheid aan, stroomt door haar ogen haar brein in. Verstikkende, hongerige witheid.

Zij ontwaakt in het blauwe licht van een medische capsule. Het hoofd van een vrouw vult haar gezichtsveld, bleek als een maan die maar niet in focus wil komen. Haar stem komt van ver, een onduidelijk mompelen: ‘Sommigen halen het niet. Brandhout. Maar goed was je ook niet, jongedame. Een strijder moet haar eigen lichaam kunnen beheersen. In ieder geval haar eigen bloedsomloop. Heb je geen pranatraining gevolgd?’
    Narida schraapt haar keel, beweeg haar lippen. Het is alsof alle woorden uit haar tong getrokken zijn.
    ‘Geef antwoord! Ik vroeg je wat.’
    ‘Nee,’ zegt Narida. ‘Op mijn wereld staat het op de index van verboden zaken. Samen met de vechtsporten.’
    ‘Je leert het wel.’
    ‘Waarom lig ik hier?’
    ‘Bevriezing. Ik moest je vingers en tenen vervangen.’
    Narida brengt haar handen naar haar gezicht.
    ‘Mijn vingers zijn langer dan eerst?’
    ‘Onze orgaanbank is beperkt. Wees in het vervolg voorzichtiger. Een krijger lappen we op ter waarde van drie lichamen, daarna laten we je rustig creperen. Leerlingen genoeg.’
    De vrouw draait zich om.
    ‘Wacht, ik ga mee!’ Narida hijst zich uit de kuip. Komt overeind op benen van sidderend deeg.
    De vrouw glimlacht. ‘Goed. Dat was je eerste test. Als je was blijven liggen...’
    Narida kan de zin zelf verder afmaken. Op Trainingswereld is geen plaats voor zwakkelingen. In het beste geval zou ze als transplantatie­materiaal voor betere strijders eindigen. In het slechtste werd ze teruggestuurd naar Les Etoilles Unis: een mislukkeling, pure verspilling van genen.
    ‘Eerste instructie over tien minuten,’ zegt de vrouw.

Het merendeel van de strijders is vrouwelijk. Dit verbaast Narida: traditioneel zijn krijgers immers mannen? Niet dat zij daar veel van afweet. De laatste oorlog werd vijfhonderd jaar geleden gevoerd.
    ‘Och,’ zegt haar buurvrouw. ‘Het vrouwelijk lichaam is beter bestand tegen stress, kan pijn beter verdragen. De tests selecteerden niet op spierkracht, maar op reactiesnelheid en uithoudingsvermogen. Bovendien zijn vrouwen wat minder idealistisch. Zij leven meer in het nu dan de mannen.’

Op het beeldscherm tegen de achterwand verschijnt het insigne van de strijders: een cobra die op het punt staat toe te slaan.
    Voor het eerst ziet zij hun trainer, een wezen dat seksueel ambivalent is, enkel een vloeiend bewegende vechtmachine is.
    ‘Ons teken is de slang. Geen edel dier, maar wij zijn hier niet om naar het edele te streven. Het enige doel is winnen. De Ladmohen zijn ons ver vooruit. We kunnen niet hopen te winnen van een vijand, wiens beschaving negen miljoen jaar oud is. Tenminste niet in een eerlijke strijd. Daarom zal ik jullie onderwijzen in geniepige dodelijkheid. Een slang of zelfs een virus kan een wezen zoals de mens, dat toch echt wel hoger ontwikkeld is, doden.
    We spelen om een hoge inzet: de werelden die wij van de Ladmohen geleend hebben. Eén fout, een aarzeling, je sterft en wat erger is: zestien werelden sterven met jou.’
    Hij spreekt door. Narida voelt een intense weerzin opkomen. Al die verboden zaken, alles waarover op haar wereld nooit werd gesproken. Of hoogstens als gruwelen in een ver en barbaars verleden.
    ‘Ten slotte zullen jullie jagen op de Leviathan. Zij die terugkeren zullen strijders zijn.’
    ‘Leviathan?’ fluistert ze tegen haar buurvrouw.
    ‘Geen flauw idee. Klinkt spannend.’

De gebogen ramen van de kantine kijken uit over de duistere buitenwereld. Onbekende sterren branden boven genadeloze bergpieken. Loodgrijs ijs-3 weerkaatst het licht van de basis.
    ‘Hades,’ zegt Maria, het kleine, watervlugge meisje dat naast Narida zat. ‘Het rijk van de doden. Waar de zielen hun verleden vergeten. Dat zijn wij, de doden, de verdoemden. Waarom ben jij hier gekomen? Of mag ik dat niet vragen?’
    ‘Och, binnenkort zullen we weinig geheimen voor elkaar hebben. Ik kwam thuis. Naar Wildered.’
    Maria’s mond wordt een O: ‘Dat is nu een Ladmohenwereld!’
    ‘Buiten het zonnestelsel waarschuwden de Ladmohen ons. Toch ­bleven we doorvliegen tot we in een baan om Wildered kwamen. Misschien was de brandstof op en omkeren geen optie? Ik luisterde naar reality-shows die ik in jaren niet gehoord had, het handgeklap van de rappende muezzins, giechelende trutten die egels door de poedersuiker rolden. En ineens viel alles stil.
    Ik zocht de golflengtes af, alle gedachtekanalen. Geen enkel geluid, behalve wat geruis van de zon. Alles wat ik lief had, lag daar in de diepte: vrienden, ouders, de steden. Binnen een ademtocht hadden de Ladmohen mijn leven geroofd. Nooit hebben zij geweten dat hun strijder verloren had. Iedereen stierf pijnloos, in een fractie van een seconde.’
    ‘De Ladmohen zijn nooit nodeloos wreed,’ zegt Maria.
    ‘Nee, wie zal hun drijfveren ooit begrijpen?’ Narida gaat verzitten, een spiertje trilt in haar wang. ‘Verdwaasd zwierf ik door het schip. Ten slotte stelde ik een telescoop in op mijn geboortestad. Ons huis stond nog overeind. Bomen bewogen in de wind, maar er was niemand meer. Als ik lichamen had gezien... Alleen maar as, overal dwarrelende as. Een paar spreeuwen hipten over ons dak. De Ladmohen hadden geen spel met hén gespeeld.’
    ‘Toen besloot je strijder te worden? Om zulke daden te voorkomen?’
    ‘Mijn leven was leeg. Eerst wilde ik domweg zonder pak de luchtsluis uitwandelen. De pijn was zo groot, ik moest iets doen. Voor de doden, voor allen die nog op onverdeelde werelden leven.’
    Een aardig verhaal, denkt Narida, ook al was het gelogen. Wildered was inderdaad haar geboortewereld en ze wist geen plaats in de hele kosmos die zij feller haatte. Om over haar ouders nog maar te zwijgen. Het beeld van de vermoorde wereld had haar intens opgewonden. Om zo wreed te mogen zijn! Te mogen doden!
    Toen zij het huis van haar ouders ontdekte, hun lichamen enkel as, besloot ze strijder te worden. Heilige heer Shiva, om straffeloos te spelen met het lot van zestien werelden! De angst, de onzekerheid, al die prachtig pure emoties!

‘Stel je niet aan,’ gromt de trainer. ‘Er is meer dan genoeg aan je longen gesleuteld. Een snoek zou graag met je ruilen.’
    Zij blijft op de rand staan. De trainer klakt met zijn tong, sist. Voor de eerste en hopelijk laatste keer ziet Narida hem zijn geduld verliezen. Hij grijpt haar ruw bij de schouders. Met een moeiteloze zwaai werpt hij haar in het diepe water.
    Wanneer zij sputterend, hoestend opduikt, duwt hij haar meteen weer onder. De kracht van zijn armen maakt ontsnapping onmogelijk.
    Een minuut gaat voorbij, twee minuten. Rode vlekken wervelen voor haar ogen. Haar hart slaat een wilde roffel van angst.
    Zuurstof! Ik moet ademhalen!
    In paniek opent zij haar mond, drinkt het water, laat de vijandige vloeistof haar longen in stromen. Een kortstondige pijn. De vlakke smaak van zuiver water.
    Narida’s hart komt tot rust. In extase inhaleert zij de nieuwe, vloeibare atmosfeer en hij trekt zijn hand terug.
    Narida duikt. Omlaag, omlaag. Naar de wenkende, groene dieptes. Naar de landen waar golven het dak van de wereld vormen. Misschien zijn er haaien daar? Zij lacht geluidloos. Dit is vreugde, dit is kracht! Hier in haar nieuwe, wervelende waterkosmos.

Een uur later komt zij boven. Zij leegt haar longen, ademt de plotseling belachelijk ijle lucht in.
    De trainer kijkt haar niet eens aan. Elk gevoel van triomf verdwijnt.
    ‘Roep de volgende,’ zegt hij en gehoorzaam verlaat zij de kilometer diepe poel.

De lichten branden dag en nacht in de slaapzaal. Een strijder slaapt wanneer de gelegenheid zich voordoet. Comfort is van secundair belang. Met halfgeloken ogen laat zij haar blik door de slaapzaal glijden. Naakte ­lichamen. Sommigen in kluwens samengekropen, anderen zij aan zij. Een stuk of tien krijgers liggen afzijdig, te vermoeid voor zelfs de meest elementaire seks. Zij port Hermann in zijn zijde. ‘Morgen is het voorbij.’
    ‘Mm?’
    ‘Seks. Zodra de moordrefleksen zijn ingeplant wordt het levensgevaarlijk elkaar aan te raken.’
    ‘Zei de trainer zeker.’
    ‘Nee, mijn geliefde maar ietwat traag denkende Hermann. Hij zei niets. Zulke dingen worden we geacht zelf te bedenken. Word wat actiever, idioot. Dit is de laatste nacht.’
    ‘Laat me met rust. Ik ben doodop.’
    Ze streelt hem. Hij slaat de ogen op.
    ‘Hier,’ zegt ze, ‘raak mij aan, ga naar binnen.’
    ‘Goed, ik bedoel, graag.’ Langzaam wordt hij echt wakker. ‘Wat je net zei, meende je dat? Het is de laatste keer?’
    ‘Ja, tot we winnen.’
    Even versteent zijn lichaam. Elke spier wordt rotshard.
    ‘In Shilna’s naam, ontspan je, zo heb ik niets aan je.’
    Hij zucht, plotseling trekt hij haar wild naar zich toe.
    De nacht lengt zich. Strijders berijden de branding van elkaars passie: schorre kreten, snelle en trage bewegingen.

In de grijze ochtend staan zij voor de brede ramen, loom en bezweet. ‘We moeten wel veel opgeven,’ zegt Hermann.
    ‘Je kunt altijd nog terug. Planteneters genoeg. Lui met lodderogen en maalkiezen.’
    ‘Nee, ik ben nu al te verliefd op de strijd. Ze pelden me alsof ik een ui was, maar er blijft iets heel essentieels over. Iets.’ Hij spreidt zijn handen. ‘Je leeft pas echt als je bijna niets meer te verliezen hebt.’
    ‘Dan kom je hier wel aan je trekken.’
    Zijn vingers glijden langs haar ruggengraat. Als een kat strekt zij zich en opnieuw vloeien hun lichamen samen.
    ‘Vanaf morgen wordt het nooit meer echt nacht,’ zegt hij met iets van spijt en iets van verwachting in zijn stem.

Een jaar later is driekwart afgevallen. Dood of krankzinnig. De over­levenden spreken met harde, duidelijke stemmen. Over wapens, strategie. Nooit meer over zichzelf of hun gevoelens. Zij die de menselijkheid te lief hadden zijn omgekomen of vertrokken.
    Bekijk hun gezichten. Zoveel nieuwe lijnen: de wind en de koude hebben nieuwe lijnen getekend over hun altijd jonge gezichten. Diepe voren die tot in hun geest reiken. Hoe lang is het geleden dat zij de zon voelden? Hun leven is een reeks ongeordende flitsen geworden. Stemmen, de nacht, honger. De wereld is kleiner en volkomen gefocusseerd.
    ‘Wendy, de voltmeter.’
    ‘Drie minuten. Mijn handwapen vertoont kuren.’
    ‘Nee. Nu.’
    ‘Drie minuten.’
    Een razendsnelle beweging. Twee lichamen rollen vechtend over de grond. Maar één staat op. Narida veegt het bloed van haar lippen. Niet haar eigen bloed.

Een ander momentopname: een boot op zee. Verderop ijsschotsen. In het diepe water beweegt een schaduw. De trainer geeft een ruk met zijn hoofd.
    ‘Test?’ vraagt Narida.
    ‘Test,’ bevestigt hij.
    Zij trekt haar lange mes en springt. Het lemmet is een enkele molecuul dik en kan dwars door metaal snijden. In de diepte drijven twee schaduwen naar elkaar toe.
    Een minuut later trekt zij het dode zeeluipaard het vlot op. De trainer bekijkt de snede, die van kop tot achterpoot loopt.
    ‘Je bent je mes kwijt.’
    ‘Die zat in de hand die hij afbeet.’
    ‘Geen uitvluchten. Een strijder raakt niet gewond. Ga naar de orgaan­bank en wees voortaan voorzichtiger: je bent bijna door je voorraad heen.’
    Narida knikt en concentreert zich op de doorgebeten aderen. Ze trekken samen en de gulpende bloedstroom stopt.

In de ruïnes van haar oude leven aanbidt zij de trainer. Alleen hij van alle levende mannen zou haar dodelijke omarming kunnen overleven. Hij bezit de ware kracht; een zelfvertrouwen dat zijn hele wezen doordrenkt, dat hij meedraagt als een duistere uitstraling. Het is een hopeloze verliefdheid: zij is te min. Haar kracht is onecht, aangeleerd. Zij is de waakhond die ziek van verlangen luistert naar het verre gehuil van haar wilde broeders, de wolven.


    2.

‘Dit is de laatste dag.’
    Even kijken zij hem niet begrijpend aan. ‘Leviathan?’
    ‘Ja, ik kan jullie niets meer leren. Betere strijders kunnen jullie onmogelijk worden. Lichamelijk althans. Leviathan zal jullie de laatste les geven.’
    ‘En die is... ?’
    ‘Het verliezen van je menselijkheid. Na de Leviathan zul je niets meer geven om je eigen leven. Alleen je plicht zal nog tellen. Alleen de overwinning zal iets van je schuld kunnen verminderen.’
    ‘Welke schuld?’ vraagt Maria.
    ‘Morgen. De Leviathan zal het je leren.’

Zo snijdend blauw de hemel! In haar azuren afgronden zwemmen wolken. Palmbomen ruisen, koraalzand knarst onder hun steenharde voetzolen. Hun lichamen absorberen de warmte, maar een innerlijke kern blijft kil. Narida begrijpt nu waarom de strijders de slang aanbidden. Ik zal veranderen. Mijn huid wordt een harde, leerachtige schil. Hij zal opensplijten en ik zal de wereld in kronkelen. Gloednieuw met een geschubd lichaam, kaken met lange giftanden. Snel en soepel, misschien zelfs Hem waardig.
    De trainer gaat hen voor naar een sloep. Hij is de enige, die niet veranderde. Hij is onbevangen als alleen een geboren roofdier kan zijn.
    ‘Neem deze boot. Het kompas is afgestemd op de Leviathan.’
    ‘Hoe ver van hier?’
    ‘Een kilometer of twintig. Aan de rand van het continentale plat.’
    Zij trekken de boot de branding in.
    ‘Wacht eens even. Laat je wapens zien. Te krachtig, dit moet weg. En dit. Niets boven de zes artm.’
    ‘Is dit alles? Vier laserpistolen en een bestuurbare harpoen?’ Zij staren hem ongelovig aan. ‘Je zei, de Leviathan is groot, reusachtig groot. Dit is kinderspeelgoed!’
    ‘Daar zullen jullie het mee moeten doen.’ Zijn stem is zacht, bijna een fluistering. ‘Iemand verder nog commentaar? Nee? Ga. Onthoud een ding: jullie zijn vrijwilligers, niemand dwong jullie. Niemand.’
    Zij varen een half uur over een kalme zee. In het kristalheldere water zwemmen vissen in kleurige scholen die wegvluchten voor de schaduw van de boot.
    ‘Een vakantiedag,’ zegt Maria. In haar stem klinkt geen bitterheid door. De zon en de lome deining van de zee maakt hen spraakzamer dan zij in maanden zijn geweest.
    ‘Wat had de trainer? Niemand dwong je,’ bauwt zij hem na. ‘Krijgt hij ineens gewetenswroeging?’
    ‘Erg, erg onwaarschijnlijk,’ zegt Jolante. ‘Hij iets voelen?’
    Bijna stuift Narida op bij deze belediging van haar idool. Dan glimlacht zij. Goden kunnen heel goed voor zichzelf zorgen.
    ‘Ik ga even.’ Zij duikt weg in de boeggolf van de boot. Vanuit een holte slaat een koraalduivel haar gade. Zij strekt een slanke vinger uit, aait het giftige zeewezen. Haar bloed wolkt op terwijl hij wegschiet. Gif stroomt door haar bloedbanen. Lang voor het haar kan verlammen reageren de opgevoerde microben in haar plasma. De dodelijke moleculen worden geabsorbeerd, vallen uiteen tot ongevaarlijke verbindingen.
    Maria duikt naast haar op, gebaart. Omhoog, omhoog!
    ‘Een eiland,’ zegt Wil 27. ‘Misschien zit hij daar?’
    Zij buigen zich over het beeldscherm.
    ‘Rotsen zo te zien. Nogal afgesleten, weinig plaats om je te verbergen.’ Wil 27 schakelt de stroom uit.
    ‘We zullen wel zien.’
    Het eiland domineert de horizon. Een gladde rotsmassa, zonder enige begroeiing.
    ‘Grote goden, de biometer! Dat moet een idioot grote school walvissen zijn.’
    ‘Nee! Kijk!’
    Het eiland trilt. Metershoge golven rollen op het bootje af.
    ‘Leviathan! En dat moeten we pakken met laserpistolen?’
    ‘De trainer is gek!’
    ‘Driehonderd meter!’
    ‘Meer. Een halve kilometer lang!’
    Dan zwijgen ze. De Leviathan is te groot voor woorden. Hij richt zich op uit de golven. Fonteinen spatten omhoog waar Zijn zwempoten de zee geselen. Hun boot slaat bijna om.
    ‘Waanzin!’
    Het zeewater bijt in hun ogen, met moeite houden zij zich staande. De oceaan komt tot rust. Zij halen diep adem, kijken om zich heen. De Leviathan is verdwenen. Hun hartslag daalt tot een normaal tempo. Zij worden opnieuw technici van de dood, specialistische slachters.
    ‘De sonar?’
    ‘Ja, een echo op vijfduizend.’
    ‘Afwachten. Zo diep gaat de kleefharpoen niet.’
    ‘Volgens mij zag hij ons niet eens.’
    ‘Vierduizend, drieduizend.’ De toonloze stem van Wil 27.
    ‘Wat een kracht, wat een snelheid!’ Jolante.
    ‘Tweeduizend. De harpoen!’
    Het wapen duikt de Leviathan tegemoet.
    ‘Duizend. Bijna. Contact!’
    Een onzichtbare lijn van energie hangt nu tussen de Leviathan en de boot.
    ‘Daar komt hij!’ lacht Wil 27. ‘Ik laat de boot zweven. Hou je vast.’
    Onder hen splijt de oceaan open. Leviathan vult het universum. Spierbergen en watervallen: zijn exploderende adem is een ijzige storm. Hij kijkt hen aan. Niemand durft Zijn gruwelijke blik te ontmoeten.
    ‘Een prooi! Enkel een prooidier!’ gilt Narida. Haar laser trekt meters-diepe voren in de gladde huid. Beken van bloed vloeien uit in de oceaan.
    Narida’s woorden hebben de betovering verbroken. Zij concentreren hun vuur op een enkele plaats. Het rode bloed kookt, gaat op in stoom. Een diep loeien welt op uit de keel van de Leviathan.
    ‘Milrach, wij vallen!’
    Vonken spatten uit het controlepaneel.
    De boot raakt het water met een ziekmakende klap. Uit het water schiet een immens gevaarte omhoog. Een zwempoot. Als een lawine stort de vleesmassa op de boot neer. Dan aarzelt hij een hartenklop lang, om vlakbij onder water te verdwijnen.
    ‘Hij heeft ons gemist!’
    Nee, denkt Narida in opperste verwarring. Hij wilde ons missen.



Het is een rotklus, een in en in smerig karwei. De Leviathan sterft centimeter na centimeter. Zijn doodsstrijd duurt twee eindeloze uren. Loeiend, kreunend, Zijn stuiptrekkingen steeds zwakker, glijdt Hij af naar de eeuwige duisternis. Ten slotte dooft het laatste licht in de biometer.
    Zij varen langs het eilandgrote lijk. De zee is wijnkleurig, stinkend naar bloed. Jolante schraapte haar keel, een zacht, verstikt geluidje. ‘Dit moet het grootste dier van de Melkweg zijn, maar hij wist niets van vechten af.’
    ‘Geen werk voor strijders,’ mompelt Maria. ‘We zijn geen slagers.’
    ‘Ik vraag mij af waar wij zijn,’ zegt Narida. ‘Ik heb nog nooit van zo’n beest gehoord.’
    ‘Misschien is het zeldzaam?’
    Zij bereiken de kop. Zijn dode ogen staan wijd open.
    Narida had facetogen ver wacht, concentrische kristallen. Geen irissen en pupillen: niet deze zachte, op de een of andere manier vergevende blik. Een illusie en per slot van rekening heeft zelfs de octopus mensen­ogen.
    De trainer wacht hen op: een strak silhouet tegen de stralend witte duinen. Narida lacht, het beeld is te dramatisch, de trainer te sinister voor deze warme zomerdag.
    ‘Luister goed,’ zegt hij. ‘Want mijn woorden zullen jullie tot strijders maken. Een eerste, ik ben geen mens.’ Hij werpt zijn mantel af. Een vreemd verwrongen lichaam, buisvormig, een web van pezige spieren, het kruis glad en leeg. Ter hoogte van de borstkas liggen dunne, rudimentaire armen. Alleen zijn gezicht blijft menselijk.
    Plastische chirurgie? denkt Narida. ‘Waarvoor in godsnaam?’
    ‘Een Ladmohen,’ zegt hij. ‘Alleen wij Ladmohen kunnen onze emoties genoeg beheersen om een vredelievend wezen tot een ware strijder te maken. De Unie gaf mij volledige bevoegdheid om alles te ondernemen om goede strijders af te leveren. Daarvan heb ik gebruik van gemaakt. Wij zijn anders dan jullie. Voor ons is het leven een lied met duizenden melodieën. Niets mag ontbreken. Dood, wreedheid, angst, onzekerheid: zij zijn even belangrijk als geluk en rust. Steeds moet een evenwicht bestaan tussen duisternis en licht. Het wilde en het getemde moeten zij aan zij leven. Wij hebben jullie lief. Daarom willen wij zelfs onze werelden opofferen. Om jullie Galninu, het ware evenwicht, te leren.
    De lange vreedzame jaren hebben de Unie verzwakt: de mensen dromen lege, passieloze dromen. Jullie zullen tijgers onder schapen zijn, de injectie met demonenbloed in het lome lichaam van de mensheid. Nu maak ik jullie tot krijgers!
    Deze wereld is de Aarde. Lang geleden vertrokken alle vechters en de avonturiers. Zij koloniseerden de sterren. De dromers, de filosofen, de denkers. Terwijl de kolonisten amper veranderden, ging op Aarde de evolutie steeds sneller. Zij werden goden, in staat tot zo’n empathie, zo’n vriendschap, zo’n liefde, dat de mensen van de Unie vergeleken met hen kille monsters zijn. Toch was dat een doodlopend spoor. Vandaag hebben jullie de laatste vermoord.’
    Maria springt op hem af, haar handen tot ineffectieve klauwen gekromd.
    ‘Jij, jij vertelde niets, jij...’
    Hij stapt opzij, doodt haar met een enkele nekslag.
    ‘Zij was geen strijder. Nog iemand anders?’
    ‘Vandaag niet,’ brengt Narida met moeite uit.
    De Ladmohen kijkt hen één voor één recht in de ogen. Driemaal ontmoet hij de slangenblik. Hij knikt. ‘Jullie zijn klaar.’



excerpt uit "Cepheïde" © 2014 Tais Teng en Verschijnsel
www.verschijnsel.net