Omslag
LASERLICHT

TAIS TENG



een compleet verhaal
uit de bundel












En het gras strekt duizend eeuwen diep
 
 1
 
De stem van zijn dode vrouw wekte Dimitri in het asgrijze ochtendlicht. Hij kneep zijn ogen stijf dicht; zijn buikspieren trokken zich samen in hulpeloze afschuw.
    Voetstappen. Haar schaduw streek over zijn oogleden en het kloppende rood nam een diepere tint aan. Ze leek te aarzelen.
    Nee, alsjeblieft! Kus mij niet!
    De schaduw schoof door en haar hakjes klikklakten naar hun piepkleine keuken. Ze zong nog steeds, haar stem helder en vrolijk.
    'Starman, o starman,
    whatever you do,
    don't shift my red eyes blue!'
    Een willekeurige fluctuatie in de nachtstroom, meer was er niet nodig om de recorder in te schakelen en een zeven jaar oud spook tot leven te wekken.
    Dimitri herinnerde zich pijnlijk nauwkeurig hoe ze de recorder op de muren gespoten hadden. Haardunne filamenten, zo goed als onzichtbaar voor het blote oog.
    Zestien terabyte RAM, genoeg om hun appartement voor een volle eeuw vast te leggen. Geen stofje dwarrelde of de recorder borg het in zijn geheugen op.
    'Wanneer we bejaard zijn,' had Jocelyn geginnegapt, 'echt hartstikke oud met trilhandjes en bibberoogjes, dan kunnen we op bezoek gaan bij onze jongere ikken.'
    De recorder was interactief, dat was nog het onverdraaglijkste. De vastgelegde personen bezaten een zekere keuzevrijheid en konden zich moeiteloos onderhouden met hun hedendaagse versies.
    Dimitri tastte blind naar het controlepaneel. Hij had het naast zijn hoofdeind geïnstalleerd: dit was niet de eerste keer dat de recorder 's nachts spontaan aansloeg.
    'Dimitri? Ben je wakker?'
    Hij huiverde. Ze klonk zo vreselijk levend!
    Vlug tikte hij het gele vlakje linksboven aan en haar stem viel abrupt weg. Dimitri opende zijn ogen. Hij was alleen.
    Een succesvol exorcisme. Maar zijn vrouw zou terugkeren. Alleen het wegbreken van de muren kon de recorder permanent uitschakelen.
    We wilden dat er niks stuk kon gaan. Alleen het beste van het beste was goed genoeg voor ons. En we konden het betalen.
    Dimitri strompelde naar de keuken en tapte een glas bittere koffie. Het huis bleef doodstil.
    Zo stil als een graftombe. En alle geesten willen met me praten.
    De gong van zijn computer. Het beeldscherm projecteerde tuimelende driehoeken op zijn plafond, urgente zigzags: een staatsbericht. De gongslagen gingen in een hogelijk irritant babygehuil over.
    Hij nam een laatste slok en zette zich voor de computer. Net wat er nog aan ontbrak. Een fijne ramp. Wat hadden ze deze keer in de aanbieding? Een komeetinslag op Tokyo's fusiecentrale? Een opbloei van het rode getij?
    Hij plaatste zijn duim op het identificatieplaatje en het scherm vulde zich met woorden:
 
AAN: BURGER D. RIVERA, 2567, THPL 835 098 23 GB YGK 9 NA
VAN: WERELDGEZONDHEIDSORGANISATIE, SECTOR NA, RANDSTAD
 
GEACHTE BURGER,
    U STAAT 45 MEDISCHE PUNTEN IN HET ROOD.
    HET IS ONS NIET LANGER TOEGESTAAN MEDISCHE ASSISTENTIE TE VERLENEN AAN U OF UW FAMILIELEDEN.
 
    WEES ZO VRIENDELIJK CONTACT OP TE NEMEN MET DR. OOKA VAN DE KLINIEK VOOR TERMINALE PSYCHOSES.
    UW ZOON DIENT DE KLINIEK TE VERLATEN OM 14.00 VANDAAG.
    U HEEFT RECHT OP 16 K MEDISCHE INSTRUCTIE.
 
Hij staarde naar het scherm, niet in staat de boodschap in zich op te nemen. Geachte burger. In het rood. 16 K medische info.
    UW ZOON DIENT DE KLINIEK TE VERLATEN
    UW ZOON DIENT DE KLINIEK TE VERLATEN
    Ze hadden zijn zoontje ter dood veroordeeld. Zo simpel lag het. Na vier jaar in een volmaakt steriele omgeving zou het eerste het beste oorlogsvirus Sergio te grazen nemen.
 
 
2
 
De zon smeerde zich al in een rode veeg uit achter het laservrije ribbeltjesraam toen Dimitri eindelijk contact met de kliniek kreeg.
    'Het spijt me verschrikkelijk,' sprak een ademloze vrouwenstem, 'maar meesterdokter A.Y. Ooka is helaas nog niet op zijn kantoor gearriveerd.'
    'Oh.' Een tiental eindeloos gerepeteerde zinnen verdampten uit zijn geheugen. 'Mag ik vragen met wie ik spreek? Zijn assistente?' Dimitri gebruikte het ijzige toontje van een rampenier in functie, van een hoge functionaris die ogenblikkelijke medewerking verwacht en die dat gewoonlijk ook krijgt.
    Een bescheiden kirretje. 'O nee, meneer Rivera. Ik ben Florence maar, zijn expertsysteem.'
    'Ik bel voor Sergio. Voor mijn zoontje.'
    'Uw zoon dient de kliniek te verlaten om 14.00 vandaag.'
    'Dat weet ik.' Software! 'Kunt u mij vertellen wat ik mee moet nemen? Zaken die ik moet aanschaffen?'
    'U heeft recht op 16 K medische info.'
    'Geef die dan, verdomme!'
    'Maar natuurlijk, meneer Rivera.'
 
Het computerprogramma stelde een mobiele cocon voor met een luchtrecycler, van het soort dat ze in lange afstands diepzeeboten gebruikten. Virusfilters. Twee keer per dag vervangen. Een dozijn honderd-liter-vaten all nurit, geschikt voor intraveneuze voeding en gegarandeerd kiemvrij.
    'Met de juiste voorzorgsmaatregelen hoort uw patiënt moeiteloos het einde van de maand te halen,' besloot Florence. 'Wie weet zingt hij het zelfs een weekje of twee langer uit?'
 
Hij arriveerde ruim anderhalf uur te vroeg bij de kliniek. De monorail hokte niet één keer, niemand wierp zich op de hoogspanningrail, geen jeugdige sluipschutter testte of de kogelvrije ramen inderdaad kogelvrij waren.
    De kliniek lag een kleine honderd meter stroomopwaarts, voor bijna ieder ander dan een rampenier een onmogelijke afstand. Een massieve stroom forenzen schuifelde door de straat, de minder gefortuneerden gepantserd als meikevers, hun rijkere collega's volledig vertrouwend op hun automatische wapens.
    Dimitri schoof de stelten uit zijn hakken en plaatste zijn duimen tegen de gesp van zijn koppelriem: de glasvezels van zijn uniform gloeiden felrood op. Uit de luidspreker van zijn dienstwapen welde een droefgeestig geratel op, dat blokken ver droeg.
    Dimitri stapte plompverloren de stroom in, zijn kin arrogant opgeheven. Hij had een Mozes kunnen zijn en de forenzen de Rode Zee: zelfs referendarissen deinsden terug om elk lichamelijk contact te vermijden.
    De leden van de Rampendienst genoten een reputatie als rauwdouwers die volledig uit de lucht gegrepen was, maar hem nu goed van pas kwam.
 
De kliniek besloeg de onderste veertig verdiepingen van een stratosfeerkrabber en was in een klassiek neo postmoderne stijl opgetrokken: gebrandschilderde ramen in een gevel van verlijmde groene glasscherven, meterslange waterspuwers die loom met hun stenen vleugels wapperden.
    Eens moest dit het hoogtepunt van gewaagde chic geweest zijn, nu knarsten de treden van de ornamentele trap echter onder Dimitri's stelten. Zure regen had het kwarts tot een fragiel kantwerkje opgelost.
    Een hologram projecteerde bronzen letters voor de gevel:
    KLINIEK VOOR TERMINALE PSYCHOSES.
    Terminale Psychoses. Meervoud. De schijnheiligheid ergerde hem nog steeds mateloos. Er bestond maar één geestesziekte die ongeneeslijk bleef. Geef het toe! Draai er niet omheen!
    Groenverlangen.
    Spreek dat woord nooit hardop uit, fluister het niet eens. Want groenverlangen betekent dat we geen toekomst meer hebben, dat de mensheid heeft afgedaan. Drie op de vijf kinderen die de afgelopen tien jaar geboren werden, leed aan groenverlangen.
    De neurologen mompelden over rusteloos voorvaderlijk DNA, door de onophoudelijke stress van het moderne leven geactiveerd. De kinderen wierpen een ontzette blik op de wereld, en wendden zich resoluut af. Ze vluchtten in afgrondsdiepe dromen, naar een fantasiewereld van eindeloze groene velden, azuren hemels, kronkelende rivieren. De wereld waarvoor de homo sapiens geprogrammeerd was toen hij nog de onschuld van een dier bezat.
    Groenverlangen. Terminale psychose. Ongeneeslijk.
 
De rampenier aarzelde voor de glazen deuren van de kliniek. Binnen zijn tijd uitzitten? De wachtkamer barstte al uit haar voegen en elk gezicht leek zijn eigen stille wanhoop te reflecteren.
    Een jonge vrouw trok zijn aandacht: ze wipte op het uiterste randje van haar bank op en neer, de vingers van haar linkerhand tegen haar lippen gedrukt. Haar kaken bewogen mechanisch. Een koe, dacht Dimitri, die gedachteloos herkauwt. Hij knipperde de vergroting van zijn contactlenzen naar vijf en de vrouw trok haar hand terug. Haar vingertoppen vulden Dimitri's gezichtsveld: stompjes rafelig vlees. Een druppel bloed welde op, die haastig weggelikt werd door een kolossale tong.
    Dimitri keek gefascineerd toe. Het malen van de kaken ging maar door en door tot Dimitri een schreeuw uit zijn keel voelde opwellen en zijn hoofd met een ruk afwendde.
    Hij glipte de straat op, liet zich willoos meevoeren met de voetgangersrivier.
 
Een zijtak van de forenzenstroom deponeerde hem in de uitlopers van de pretwijk. In de permanente schaduw van een helicopterhaven deinden tienduizend dwaallichten tussen Taj Mahals van lillende aerogel, omhoog zwierend langs fonteinen van droog water, laverend tussen druïdentorens van gekloonde mensenbeenderen om tegen de betonnen hemel uit te sputteren. Pure passie, ongeremde haat, wijsheid, ja zelfs hoop van een uiterst twijfelachtig soort en dat alles voor niet meer dan het insteken van je kredietkaart.
    Dimitri volgde zoals gewoonlijk een wild meanderende route, die echter steevast bij de Yemndi poort eindigde. Zelden of nooit koerste hij recht op zijn doel af: hij was nog allerminst bereid toe te geven hoezeer zijn opties geslonken waren. Slechts twee obsessies beheersten zijn leven, zijn zoontje en het Spel. Dimitri was als een haas die verstijfd in de koplampen van een aanstormende vrachtwagen staarde.
    Met grote, maar volledig onbewuste zelfbeheersing kuierde de rampenier door de stegen, als elke andere bezoeker weifelend bij attractie na attractie, terwijl elke pas hem ongemerkt een meter dichter bij de Yemndi tijdpoort bracht.
 
Zal ik deze diepvriesgrot binnenstappen waar een tandeloze filosoof de wijsheid der eeuwen lispelt? Of de geur van bloedwarm vlees volgen en een uur troost zoeken in de armen van een courtisane? Of daar, dat podium waar mannen met samengeknepen lippen tegen een staatscomputer gokken, de inzet een gloednieuw hart, een ampul antibiotica?
    Dimitri inspecteerde een dienblad met zingende juwelen. In het hart van elk sieraad brandde een sneeuwvlok van kalm laserlicht. Intrigerend en geruststellend nutteloos.
    'Bezoek de regenwouden van oud Afrika,' fluisterde een zalvende stem in zijn linkeroor. 'Authentieke reconstructies van lang vergeten wonderen.'
    Een bundel geconcentreerd geluid, exact op zijn trommelvlies gericht. Hij gaf een geïrriteerde ruk met zijn hoofd en de stem zonk tot onverstaanbaar gemurmel.
    Authentieke reconstructies. Ammehoela: hij kende het broddelwerk van de doorsnee historische diorama's. Ondanks dat, waarom niet? Waarom niet? Hij had nog een uur stuk te slaan en alles wat zijn gedachten van Sergio afleidde was meer dan welkom.
    Dimitri inspecteerde de façades van de amusementshallen. Een tweetal stoffige dadelpalmen. Achter een web van knalgroene lianen tekenden de omtrekken van grashutten zich af.
    Dimitri stapte met geheven kredietkaart over de ersatz-mahoniehouten drempel en de toegangsprijs van zes roebel werd automatisch van zijn bankrekening afgeschreven. Een olijfgroene schemering sloot zich over hem.
    De geuren klopten, moest hij met enige tegenzin toegeven: het doordringende parfum van gestreepte orchideeën en zurige humus, de mestlucht van stilstaand water.
    Ook op het geluid viel weinig aan te merken. Aapjes kwetterden in de boomtoppen, een ara krijste haar bijkans supersonisch verdriet uit. Op de achtergrond het lage dreunen van een miljard hongerige muskieten.
    De decorstukken bleken echter een aanfluiting, amper geschikt om een burger in de luren te leggen die nog nooit een levende plant had gezien. Hij wreef een blad tussen duim en wijsvinger. Gladde ovaaltjes, geen spoor van nerven. Een bos als een wiskundige grafiek.
    Dimitri beende terug naar de ingang.
    'Zes roebel is ook veel te weinig!' snauwde hij tegen de verblufte opzichter. 'Vraag drie keer zoveel en bouw iets dat klopt!'
    'Niemand zou het verschil opmerken, meneer.'
    'Ik wel!'
    'Ik wel,' herhaalde hij terwijl hij zich door de krioelende menigte worstelde. 'Ik heb de levende bossen gezien...'
 
 
3
 
De Yemndi tijdpoort manifesteerde zich nog steeds halverwege hetzelfde steegje, in een van de sjofelere blokken van het pretpark. Sinds de vorige week was zij hoogstens een halve meter verschoven.
    Dimitri vervoegde zich bij het juwelierskraampje, schuin tegenover de poort. Ondanks een nieuwe eigenaar bleef het een armoedig bedoeninkje: aan de broches en barnstenen kralen ontsproten donzige vachten van stof en asbestvezels, de vuistgrote parels schilferden.
    Dimitri viste een Yemndi wafel uit het plastic mandje: een loden schijfje, licht radioactief, met sporen van platina, chroom, vanadium. 'Deze graag.'
    'Negentien roebel,' knorde de handelaar. 'Kus de saurussen voor me.'
 
Dimitri stopte gehoorzaam voor de rode lijn bij de luchtsluis: twee automatische lasers draaiden zich in zijn richting. Een stap verder en ze zouden hem tot een pilaar van verstuivende as verschroeien.
    'Hallo daar! Een klant.'
    De bewaker keek met tegenzin op van zijn oorlogsspel en drukte een toets in. 'Momentje. Effe saven.'
    Dimitri zag piepkleine ruiters over een slagveld van omgewoelde modder galopperen. Een kanonsalvo en de lucht verdichtte zich tot een stortvloed van tuimelend schroot; tollende fragmenten koper reten benen af en ontrolden ingewanden als serpentines. De paardjes steigerden, hun doodshinnik een elektronisch krekelgesnerp. Een tweede salvo, een derde.
    'Heb ze.' De figuurtjes bevroren middenin de actie: een hoofdloze officier bleef zijn sabel krijgshaftig heffen.
    'De charge van de lichte brigade,' verklaarde de bewaker. 'Het blijft een onovertroffen staaltje slapstick.'
    Hij inspecteerde zijn bezoeker. 'Geen wapens, eh? Je kent de regels. Niet binnen. Leg maar op mijn tafel.' Hij gniffelde. 'Ik heb thuis een prachtige verzameling.'
    Dimitri wilde dat best geloven: door een tijdpoort stappen bleef een uiterst afdoende manier om zelfmoord te plegen.
    Geen van de Springers was in ieder geval ooit teruggekeerd om te verhalen over verre en wonderbaarlijke tijden.
 
Dimitri's maag trok samen zodra de binnenste deur van de luchtsluis opensmakte. Een onwillekeurig terugdeinzen van zijn geest, de resolute weigering om het totaal onmenselijke te accepteren.
    Verijzelde webben vulden de Yemndi koepel, een fonkelende, vonkenspattende opeenstapeling van webben. Ze vertakten zich in richtingen die zijn oogbollen deden wegdraaien. Maagzuur werd tot halverwege zijn keel gestuwd.
    Dimitri fixeerde zijn blik op de tijdpoort en probeerde de rest van de omgeving te negeren. Deed een moeizame stap voorwaarts. Nog een.
    Een zestal harige insektenpoten omlijstten de eigenlijke tijdpoort: alle Yemndi apparatuur was organisch. Noodgedwongen.
    Achter de poort strekte de thuistijd van de Yemndi zich uit, een Aarde zo onzegbaar bejaard dat al haar isotopen tot stabiele elementen vervallen waren. Geen spoor van oceanen. Stofmeren, luchtloze woestijnen. Een venijnig dwergzonnetje zat tegen de hemel vastgepind, nimmer rijzend of dalend.
    Het had de staatsbiologen enige tijd gekost om de uiteindelijke opvolgers van de mensheid te identificeren. Zo'n bescheiden begin! De gewone zandvlo, uitgedijd tot het formaat van een nijlpaard en aanzienlijk intelligenter dan een mens.
    Zelfs zestig jaar na het verschijnen van de tijdpoorten bleef de Yemndi technologie volmaakt onbegrijpelijk, hun motieven onbekend.
 
Het AI programma Decrypt 4.1, in 2013 door de NSA op het Internet losgelaten, had de onderzoekers aanzienlijk meer kunnen vertellen. Drie minuten na het opduiken van de eerste tijdpoorten wisselde het al taalalgoritmes met de Yemndi computers uit.
    Niemand kende de oude wachtwoorden echter meer en Decrypt 4.1 zou nooit en te nimmer ongevraagd informatie verschaffen. In dat opzicht was het zo mogelijk nog zwijgzamer dan haar scheppers.
    Pas zeshonderd jaar later, in het Lichtende Interval, zou de waarheid over de Yemndi aan het licht komen:
    De Yemndi waren laat op het Aardse toneel verschenen, veel te laat. Eerdere beschavingen hadden alle bruikbare mineralen uit de korst gedolven, de nikkelijzer kern weggeknaagd, en ring na glanzende ring van ruimtesteden om de verkruimelende Aarde gelegd. Van de planeet zelf restte weinig meer dan een afgekloven klokhuis: geen metalen, geen zeldzame aardes, alle radioactiviteit weggeëbd.
    Toen het net van de entropie zich al dichter en dichter om hen samentrok, formuleerden de Yemndi een bizarre oplossing: ontgin het verre verleden. Talloze hightech beschavingen stippelden immers de Aardse tijdstroom?
    De Yemndi hongerden naar mineralen, naar energieke isotopen. Haal het wanneer het nog overvloedig aanwezig is.
    Angst voor tijdparadoxen koesterden ze niet: de tijd is een rivier en alle rivieren stromen eens uit in de zee. De Yemndi beschouwden zichzelf als de oceaan, de bekroning van iedere denkbare evolutie.
    De menselijke beschaving van de drieëntwintigste eeuw bleek hun grootste vondst: hightech en op een benepen manier hedonistisch, geobsedeerd door virtuele realiteiten.
    De Yemndi tijdpoorten boden het ultieme videospel, de mogelijkheid om met Chronos zelf te worstelen en deze naïeve on Yemndi waren maar al te bereid om voor hun pleziertjes te betalen met de kostelijkste mineralen.
 
Log als een zeeleeuw doezelde de Yemndi ingenieur op het lage platform voor het zeskantige portaal. Doorzichtige kabels ontsproten uit haar rossige dekschilden: het insekt was overduidelijk een deel van de apparatuur, niet langer een zelfstandig organisme.
    Dimitri wrong zich langs haar lome lichaam en de oogjes roteerden in de kassen om zijn voortgang te volgen. Haar aandacht verslapte vrijwel meteen. Een metaalbrenger, klasse YH 785, voorzien van de juiste offerrande. Wat is, zal zijn, is al geweest. Gedachten traag als uitstromende lava. Elk een diep uitgesleten spoor volgend dat een miljoen generaties oud was.
    Dimitri schoof zijn loden wafel in de juiste gleuf en de tijdpoort huiverde: de witte dwerg flakkerde, doofde.
    Ster-besprenkelde duisternis vloeide achter het portaal uit: iedere zon een oogverzengend punt, azuur, korengeel, een levendig groen. Het universum in haar jeugd.
    In het linkerkwadrant rees een duistere wolk en wiste de sterren één voor één uit. De wolk trok samen, begon te roteren. Aanvankelijk moeizaam als een molensteen, toen sneller, steeds sneller.
    Fusievuur!
    Een nieuwe zon hing vuurspuwend in een draaikolk van ijskometen en stof, die spoedig tot werelden zou samenklonteren.
    Het beeld verschoof en Dimitri blikte uit over de klotsende magma oceaan. De kraterloze maan beheerste een zevende van de hemel, een grijsrode kiemblaas. Bliksem danste langs de zwavelgele horizon.
    Dit was de nulstand van het Spel: de aarde woester en lediger dan de schrijver van Genesis ooit had durven dromen. Dimitri's taak was evolutie: pers de oceanen in hun gloeiendhete bekkens, ruk de bergketens omhoog, schilder deze anaerobe wildernis een juichend groen!
    Elektroden kronkelden uit het portaal en tikten zijn voorhoofd aan. Een vlijmende pijnscheut en Dimitri versmolt met de tijdpoort, werd de hoge god Chronos zelf.
 
Ironisch genoeg berustte het Spel op de minder dan volmaakte afstelling van de tijdpoort zelf. De poort was afgestemd op het zenuwstelsel van een Yemndi: de lethargische anderling op het platform kon de poort moeiteloos openen op ieder gewenst tijdvak. Meer nog dan dat, ze kon de poort lang genoeg stabiliseren om er doorheen te stappen en op haar gemak in de gekozen tijd rond te wandelen.
    Bij een menselijke bestuurder was daar geen sprake van. Het kostte Dimitri een machtige wilsinspanning om de poort sowieso uit nulstand te wrikken. En het bleef zo goed als onmogelijk om de poort de volle seconde stil te houden die noodzakelijk was om door het scheidingsvlak te duiken.
    De geringste aarzeling en de poort glipte door. Tienduizend jaar tussen je hoofd en voeten werd je onveranderlijk fataal.
 
'Nu.' Dimitri's adem ontsnapte sissend tussen zijn tanden en hij omhelsde de aarde in een mentale wurggreep, straalde haar hitte weg in de ruimte, dwong de radioactieve isotopen te zinken. Omlaag, omlaag. Sial op sima, nikkelijzer in het hart!
    De korst stolde. Stoom wervelde een volle minuut achter de tijdpoort en toen vingen de Grote Regens aan.
    Vier minuten: de hemel trok open en voor Dimitri's ogen zette een blauwe oceaan zijn aanval in op het gloednieuwe land. Elke roller krulde doorzichtig als glas, gekantwerkt met smetteloos wit schuim. Gedistilleerd water, dacht Dimitri ongeduldig, veel te puur nog om leven een kans te geven.
    Het kostte hem een vol kwartier om lange organische ketens te weven en de eerste cellen in elkaar te passen. De ondiepe lagunes kleurden eensklaps groen en al het anaerobe leven begon af te sterven.
    Dimitri spoorde het groen aan om tegen de getijderotsen te kleven, om over de lege vlaktes uit te zwermen, de bergpieken te koloniseren, die als rugwervels van nog ongeboren saurussen langs de horizon schemerden.
    Op Dimitri's voorhoofd lag een permanente zweetglans, aders zwollen tot ze paars en kloppend onder zijn vel bolden. Een moment van onachtzaamheid en zijn Aarde zou devolueren, terugglijden naar de wereldwijde lava-oceanen.
 
Hij verschoof continenten, kerfde rivierdalen en delta's uit, boog stekelige pantsers om de watervlugge dinosaurussen. Toen zijn polscomputer zoemde om hem aan zijn afspraak te herinneren, had hij de eerste uitlopers van het Jura bereikt. Achter het portaal speelden een drietal dolfijnachtige saurussen haasje over in de omslaande golven, keffend als driftige poedeltjes.
 
Dimitri trok de elektroden los en de poort sprong terug op zijn nulstand, om een ogenblik later de Yemndi thuistijd te tonen.
    Dimitri wierp een blik op het scorebord, het enige stukje menselijke technologie in de koepel. Grootmeester Herbert von Brechten voerde de lijst nog steeds aan met zijn penetratie in het Krijt, de vorige maand.
    De grootmeester was volgens de geruchten zwaar gehandicapt, arm  en beenloos, zijn dagelijkse worsteling met de tijdpoort het enige dat hem nog in leven hield.
    Dimitri vond zijn eigen naam op de vijfde plaats. Zijn positie als kampioen van de Eurafrikaanse sector bleef onaangetast.
 
 
4
 
Dimitri wreef de lijmstroken van zijn isolatiepak zorgvuldig dicht en volgde dr. Ooka door een drietal luchtsluizen naar het heilige der heiligen.
    Een vloed van zengend ultraviolet bestraalde zijn pak en Dimitri's oogdopjes werden pikzwart. Blind stommelde hij onder een rij zuursproeiers. Dr. Ooka nam hem bij de hand en leidde hem door een vertrek vol rokend loog.
    Dimitri's oogdopjes ontkleurden: geluidloos schoven de transparante deuren van de ziekenzaal open.
    'We zullen een mobiele draagbaar ter beschikking stellen uiteraard,' zei dr. Ooka. 'Ook al hoort het niet tot onze standaarduitrusting.' Onuitgesproken bleef: '...en dat zal je dus een lieve duit kosten.'
    'Dit hier?' vroeg Dimitri. 'Jullie houden het volledig steriel?'
    'De isolatiezaal? Dat mag ik wel hopen!'
    Dimitri's schouders zakten omlaag. 'Jaar in, jaar uit in een steriele isolatietank en al die tijd bleven de microben enthousiast doormuteren. Heeft Sergio zijn inentingen tegen Ruhr Deco gehad? De Sechzuan Kramp?'
    De arts spreidde zijn handen. 'Wat voor excuus wil je horen? Intensive care vreet medische punten.' Hij gebaarde naar de zacht stralende muren van bacteriophagisch plastic. 'Twee uur hier kost evenveel als je wekelijkse dosis delta interferon.' Amper onderdrukte woede gaf zijn stem een zekere heesheid. 'We moeten keuzes maken, weet u. En geloof maar niet dat het ons enig plezier doet.'
    'Het spijt me,' mompelde Dimitri. Zinloos om zijn woede op dr. Ooka te koelen. Oneerlijk ook. De arts kwam bij Dimitri over als een idealistisch jongmens, die zich uit de naad werkte om nog iets te bereiken met de spaarzame medische punten van zijn beschermelingen. Eén foutje en dr. Ooka moest halverwege een operatie stoppen: op het dichtnaaien van de gapende incisie stond de doodstraf. Zoals op alle ongedekte medische handelingen.
    Bovendien wist Dimitri dat er nooit sprake van keuzes geweest was, niet werkelijk. Zonder de geavanceerde apparatuur van de intensive care was Sergio ten dode opgeschreven. Maar al te vaak ging een lijder aan groenverlangen zo op in zijn eigen dromen dat hij finaal vergat door te ademen.
 
Dr. Ooka stak de helverlichte isolatiezaal over en trok de deur van een zijkamer open. Ze stapten pardoes het verleden in: een montage van heuvels vol wuivend gras, ritselende wouden, een waterval. Plafondbrede hologrammen welfden over rekken met slapers: een azuren hemel met wolkenveren en darrende zwaluwen.
    'Een experiment,' sprak dr. Ooka droevig. 'We probeerden de fantasiewereld van onze patiënten na te bootsen. Hen terug te lokken naar de ziekenzaal. Werkte van geen kanten. Ze openen hun ogen nooit, weet u. Zelfs als we hun oogleden opklappen, weigeren ze te kijken.'
    'Ze liggen in coma?'
    'Nee. Eerder het omgekeerde.' De arts bleef voor een overlevingscapsule staan. In de geelbruine siroop dreef een peuter, duim in de mond. Gekloonde handen masseerden haar spieren, levend vlees op een kunstarm van glas en ritmisch verbuigend geheugenplastic. 'Zie je dat scherm daar? De ene woeste piek na de andere. Hersengolven. Dit type noemen we theta's. Theta's geven aan dat je hersens op topcapaciteit werken.'
    Hij wendde zijn hoofd af, maar niet voordat Dimitri de pijn in zijn ogen had gezien, de machteloze woede. 'Ze dromen. Ze dromen, maar ontwaken doen ze nooit.'
 
 
5
 
De straten bleven bomvol: de vierde spits was net losgebarsten. Dimitri bevestigde zijn automatische wapen op het hoofdeind van de brancard en dat scheen enigszins te helpen. De voetgangers deden in ieder geval hun uiterste best niet tegen de zwevende brancard te stoten.
    Een luchtdichte plastic cilinder omsloot zijn slapende zoon, de filterpomp zwoegde en zoog de lucht aan door een kluwen van buizen en ontladingsbollen. Geen commercieel verkrijgbaar filter kon echter de subvirussen buiten houden, de prionen, vaak niet langer dan een atoom of tien. In alle opzichten vormde de brancard een uiterst povere imitatie van de steriele isolatiezaal.
    Dimitri bleef doorlopen. Geen schijn van kans om zich in de monorail te wringen met de logge brancard.
    Het zou een verdraaid lange tippel naar huis worden.
 
'Heb je een lift nodig?' De kleine dienstauto stopte naast de brancard en schoof zijn hoogspanningsstekels uit om de voetgangers op een afstandje te houden. Inspecteur Renfew, Dimitri's directe baas, liet de deur omhoogschuiven.
    De man had het gezicht van een droeve buldog, dacht Dimitri, niet voor de tiende maal, losse mond, hangwangen, diepe rimpels. Holografische herfstbladeren, rampeniersrood, dwarrelden over zijn gladgeschoren schedel. Een dienstklopper, maar een aardige dienstklopper.
    'Ik hoorde over je zoon, Dimitri. Verduveld rot.' Hij legde een hand op het imperiaal. 'We kunnen je brancard aan het dak vastlijmen. Ik heb een tube superlijm in het wapenkastje.' Hij wierp een blik op de hemel. 'Kon wel eens gaan hozen. Ik ken dit soort plastic, volmaakt non allergeen, oké, maar in zure regen lost het op als een suiker-klontje.' Renfew beet op zijn onderlip, knikte en herhaalde: 'Als een godvergeten suikerklontje...'
    'Bedankt,' zei Dimitri. 'Ik stel dit bijzonder op prijs, Hamid.'
 
Twee minuten later startte Renfew de dienstwagen. 'Heb je de laatste giller van het Centraal Planbureau gehoord? Ze classificeren de tijdpoorten nu als een 'negatieve ramp.' Hun manier om toe te geven dat die dingen ze een boel werk uit handen nemen.'
    'Zo? Dat is wel iets anders dan ze de afgelopen zestig jaar beweerd hebben. De poorten waren staatsgevaarlijk. Als het er geen veertien miljoen geweest waren, hadden ze voor elke koepel een peloton soldaten neergepoot.'
    'Ken je Pavarti? Van bevolkingspolitiek?'
    'Die zuiplap?'
    'Zeker, maar de senator ontnuchterde blijkbaar lang genoeg om een blik op de statistieken te werpen en veranderde prompt van mening. Wist je dat het aantal Springers intussen tot drieëntwintigduizend per dag geklommen is? Alleen in de Randstad al?' Hij grinnikte. 'Het lijkt wel alsof iedereen die zich een Yemndi wafel kan permitteren dag met het handje zegt.'
    'Interessant.' Hij kon de reactie van de senator goed begrijpen. Het oude liedje: zestien miljard burgers, een niet langer bijzonder bewoonbare wereld. Kunstmatige plagen en inperking van medische hulp vormden in ieder geval een redelijk democratische methode om de bevolkingsgroei af te remmen. Drieëntwintigduizend doden extra bleef natuurlijk een druppel op de gloeiende plaat, maar alle beetjes hielpen.
    'En de Rampendienst?'
    'Ze verwachten dat we de poorten nog populairder maken, vermoed ik.' Renfew wreef over zijn kin. 'Een paar sit coms over een Springer familie? De Raad heeft trouwens ook een motie aangenomen om alle bijstandstrekkers vijf gratis wafels per maand te verschaffen.'
    Dimitri voelde zijn oren opgloeien in een eigenaardige mengeling van schaamte en ergernis. Het waren zíjn poorten! Een manier om je met het heelal zelf te meten, een sacrale handeling. Springers had hij altijd als een onbelangrijk ergernisje beschouwd, domweg te negeren. Maar nu wilde de regering zijn geliefde poorten tot ordinaire zelfmoordkramen degraderen!
    'Werkt van geen kanten. Het kost al een enorme wilsinspanning om voorbij de Grote Regens te stoten. Geen hond duikt een borrelende lavazee in!'
    'Je zou versteld staan,' zei Renfew. 'Video-opnamen tonen Springers die doodleuk de Yemndi thuistijd inwandelen. Zonder ruimtepak uiteraard. Explosieve decompressie. Als ze niet eerst tot instant ijslollies bevriezen.'
    Ze legden de rest van rit in een ongemakkelijke stilte af. Een blok voor Dimitri's woontoren kletsten de eerste olieachtige druppels op de voorruit.
 
 
6
 
Het nadrukkelijke gezoem van de filterpomp leek Dimitri's hele appartement te vullen en hij liep voortdurend met gespitste oren rond, alert op de geringste hapering.
    De meeste huisraad stond tegen de muren omhooggeklapt: de omvang van de brancard maakte het desondanks zo goed als onmogelijk om de zitkamer over te steken.
    Twee uur lang bleef Dimitri op de rand van zijn slaapmat hurken, bewegingloos, zijn blik op het gezicht van zijn zoontje gefixeerd.
    Sergio was intussen negen. Je zou hem echter amper vijf geven. Het was alsof de jaren in het hospitaal eenvoudig niet meetelden en zijn zoontje niet meer dan een nacht geslapen had en nu elk ogenblik kon ontwaken.
    Ongetwijfeld een of andere wonderdrug. Of een zwerm nanomachientjes in Sergio's schildklier. Kinderen in de groei vreten medische punten.
    Dimitri kon niet besluiten of hij Ooka moest haten omdat hij zo schaamteloos aan zijn zoontje had zitten sleutelen of dat hij de arts op zijn blote knieën moest bedanken voor zijn durf en vooruitziende blik.
    Hij boog zich over de jongen. Sergio was niet bewusteloos. Keer op keer zag hij ogen achter de leden draaien, de snelle bewegingen die met REM-slaap geassocieerd worden.
    Dromen. Zijn zoon was aan het dromen. Dimitri probeerde zich de grazige weiden voor te stellen waardoor zijn zoon nu wandelde. Zouden bloemen het groen bespikkelen?
 
Dimitri had nog nooit een bloem gezien. Bloemen waren een vrij recente uitvinding van de natuur en het Jura, zijn huidige record, moest het nog zonder stellen. Haar oerwouden bestonden uit eindeloze reeksen geschubde pilaren in een zeegroene, constant veranderende schemering.
 
Een steelse beweging in zijn ooghoek. Hij draaide zijn hoofd, langzaam, met de grootste tegenzin. Zijn gezichtsveld werd ineens wazig en hij voelde de tranen over zijn wangen stromen.
    'Alsjeblieft, ' fluisterde hij. 'Alsjeblieft. Niet nu.'
    Zijn vrouw zat op een stoel die hij vijf jaar geleden al in de afvalkoker gestort had, haar gezicht pijnlijk jeugdig en stralend van gezondheid. Ze merkte hem niet op: ze had enkel oog voor de baby op haar schoot.
    Was Sergio ooit echt zo klein geweest? Een kwetsbaar diertje, de handjes zo minuscuul dat Dimitri ze met een gekromde vinger had kunnen omcirkelen.
 
Achter zijn vrouw verdichtte de lucht zich tot een nieuwe gestalte. Een paar tellen lang bleef de tweede Dimitri naar zijn slapende zoontje glimlachen en toen klikten de interactieve circuits aan. Hij hief zijn hoofd op, keek Dimitri aan.
    Dimitri bleef verstijfd zitten. Hij kan mij niet zien, maakte hij zichzelf wijs. Niet echt. Het is niet meer dan een cybernetische reflex, een slimme nabootsing van menselijke reacties.
    'Waarom geef je hem het groen niet?' zei de jeugdige Dimitri. 'Er is zoveel van: het groeit miljoenen jaren diep. Alles wat hij nodig heeft is het groen.'
    Dimitri schudde zijn hoofd in woordeloze ontkenning. De woorden van zijn dubbelganger klonken zo plausibel! Een half uur in het ongerepte verleden was misschien al genoeg om zijn zoontje bij bewustzijn te brengen.
    Toch was het voorstel nonsens, je reinste nonsens.
    O, niemand kon ontkennen dat de graslanden zich tienduizend eeuwen achter de poorten uitstrekten, maar wat had hij eraan om samen met zijn zoontje in een of andere Jura wildernis te stranden? Niemand kon helemaal in zijn eentje overleven en de Tijd van de Mens had geen Speler ooit gehaald.
    'Misschien is wilskracht eenvoudig niet genoeg,' vervolgde zijn dubbelganger. 'Misschien heb je haat nodig. Door liefde aangevuurde haat.'
    Dimitri kwam overeind en balde zijn vuisten. 'Je klinkt als een orakel. Ik heb geen advies nodig van een godvergeten recorder!' Hij wapperde fanatiek met zijn handen. 'Verdwijn! Smeer hem!'
    Misschien ving de recorder iets van zijn woede op, want de spoken begonnen gedienstig te vervagen. Het laatste wat Dimitri hoorde was het verschrikte gejammer van zijn baby zoontje.
 
 
7
 
Het kostte hem drie uur om zijn zuster te pakken te krijgen. Marianne zat hoog genoeg in het invloedrijke Astronautencorps om een geheim nummer te bezitten. Dimitri kreeg haar uiteindelijk pas aan de lijn door de noodcode van de Rampendienst te gebruiken.
    'Renfew belde me over Sergio,' was het eerste wat Marianne zei.
    De golf van dankbaarheid jegens zijn superieur verraste hem. Renfew mocht een zeurpiet zijn, een martinet, hij stond pal achter zijn ondergeschikten. Ongetwijfeld was hij nog steeds druk in de weer om iets voor Dimitri te ritselen en Marianne was inderdaad een voor de hand liggende keuze geweest.
    'Het spijt me verschrikkelijk. Ik probeerde wat ik kon, maar ik zit muurvast.'
    Dimitri wist dat haar echtgenoot op de wachtlijst voor een nieuwe lever stond. De operatie zou hun gecombineerde medische punten opslokken. 'Ik dacht aan kunstmatige winterslaap. Jullie kometenherdersdrugs.'
    Marianne schudde langzaam haar hoofd. 'Nutteloos. Je hart begint steeds trager te kloppen en je ademhaling wordt uitermate oppervlakkig. Het vertraagt het verouderingsproces, maar dat houdt de virussen niet tegen.'
    'Dat wist ik niet.'
    'Het spijt me. Ik wou...' Ze likte haar lippen. 'Heb je geld nodig?'
    'Nog niet. Later misschien, als ik een beter idee krijg. Ik dacht natuurlijk het eerst aan de zwarte markt. Werkt niet. Zelfs als ik al Sergio's gemiste inentingen te pakken kreeg...' Hij zuchtte. 'Te veel verschillende stoffen. De bijwerkingen alleen al zouden hem fataal worden.'

 
8
 
De satellietverbinding met Seoul functioneerde voor één keer volmaakt, het holobeeld zo gestoken scherp als een hyperrealistische film.
    'Hallo medespeler.'
    Von Brechten gluurde achterdochtig naar het scherm terwijl zijn kunstmatige netvlies het gezicht van de beller scande en regel voor regel de gehavende optische zenuwen in stuurde. Als de enige overlevende van de noodlottige expeditie naar Uranus genoot de grootmeester ongelimiteerde medische verzorging. De Staat was zuinig op haar helden. Veel had ze er niet.
    De grootmeester hief zijn rechterwaldo in een spottend saluut toen het beeld eindelijk door zijn optisch centrum verwerkt was. 'Geliefde vijand, hoe aangenaam je weer eens te spreken. Klamp je je nog steeds wanhopig vast aan je onverdiende vijfde plaats?'
    'Alsof je dat niet wist!' Dimitri schonk hem een volstrekt onoprechte glimlach. Hij was vergeten hoe ellendig von Brechten er aan toe was, een vleeshomp van littekenweefsel en woekerende kankers. De geringste poging tot transplantatie zou zijn immuunsysteem de doodklap geven.
    En hij is maar drie jaar ouder dan ik...
    Von Brechten schoof dichter naar het scherm en achter de plastic lenzen van zijn ogen flakkerden paarse lijnen. 'Ik ben een verdomd lange tijd nummer één geweest, mijn beste Dimitri. Een verdomd lange tijd.' Hij zweeg. Zijn adamsappel bewoog op en neer. 'En ik ga er aan kapot!'
    Zijn kunsthanden schokten ongecoördineerd onder de plotselinge toevloed van adrenaline. 'Jaren heb ik gewacht tot een van jullie klootzakken me uitdaagde! Twaalf jaar bad ik dat jullie eindelijk voorbij je godvergeten Jura klommen!' De onnatuurlijk soepele vingers verstrengelden zich tot een sidderende kluwen. 'Ik heb een tegenstander nodig!' jammerde de grootmeester. 'Een vijand om me in leven te houden!'
    Die laatste regel was te mooi om te negeren. 'En jij hebt geen vijand behalve de tijd zelf,' citeerde hij. In het Russisch klonk het wat minder mooi dan in het oorspronkelijke Engels.
    'Precies! Precies! Je begrijpt me. Bacon had die regels voor mij kunnen neerpennen.' Hij tuitte zijn lippen. 'Soms, als de pijn bijzonder onverdraaglijk wordt en geen endorfine meer helpt, dan probeer ik in mijn droom te vluchten. Ik sta voor de poort en kijk uit over een grasvlakte. Sneeuwpieken zweven boven de mistige horizon.' Hij sloot zijn ogen en zijn stem kreeg een serene klank. 'Ja, spierwitte bergtoppen in de gloed van de ondergaande zon. Mammoets grazen en in de verte zie ik een dun draadje rook oprijzen. Er waait geen briesje dus de rook stijgt kaarsrecht op. Een vuur dat niet ontstoken werd door de bliksem. En dan...' Hij ademde diep in en liet de lucht in een ratelende kuch ontsnappen. 'En dan weet ik dat ik de Tijd van de Mens bereikt heb.' Hij opende zijn ogen en Dimitri zag de vredigheid vervluchtigen tot enkel pijnlijke hunkering restte. 'Ik heb jullie nodig, ik heb jullie nodig, mijn vijanden. Om dat ogenblik te bereiken moet ik de wolvenhorde in mijn nek voelen ademen.'
    'Je bent te goed. We maken geen schijn van kans. We hebben domweg jouw talent niet.'
    'Daar heb je waarschijnlijk gelijk in. Ik zal je het geheim van mijn succes verraden, mijn Brutus. Furie! Haat, pure haat. Maak de tijd niet het hof, zeg ik je! Verkracht haar!' Hij bleef knikken, de lichtende scanner lijnen in zijn ogen rafelden, doofden. 'Haat haar, verkracht haar,' mompelde hij.
    'Ik ben niet zo'n goede hater,' zei Dimitri. Hij wist niet of dat nog steeds waar was, maar hij wilde von Brechten verder uit zijn tent lokken. Hem koste wat het kost aan de praat houden.
    'Dat is ook niet nodig. Je koopt het in ampullen van vijf cc en ze noemen het Thyrosone twaalf.' Hij likte zijn lippen. 'Thyrosone twaalf. Buitengewoon verslavend en absoluut illegaal.'
 
 
9
 
Het kostte Dimitri vijf dagen en meer dan de helft van Marianne's lening om een zwarte arts op te sporen. De dealer hokte in zijn eentje in een vijfpersoons appartement en hij schonk zijn bezoeker cognac in roemers van gelakte katteschedels.
    Aan de muur hingen twee antieke Japanse Manga posters: een demon wiens tong in een penis eindigde en het befaamde Akira jongetje met zijn lasergeweer dat bijna even lang was als hijzelf. Als ze op echt papier gedrukt waren, moesten ze een fortuin waard zijn.
    Pronken met je rijkdom: Dimitri gaf zijn gastheer niet meer dan een maand. De opvallend hoge energierekening alleen al zou genoeg zijn om een horde inspectieprogramma's te alarmeren.
    'Het was een oorlogsdrug,' legde de zwarte arts uit. 'Pakistaans. Ze gebruikten het tijdens hun Derde Jihad en kapten er halverwege mee.' Hij opende een kistje. Vijf ampullen glommen op het imitatie satijn. 'Gedistilleerde haat, pure doodsverachting. Het recept voor de ideale soldaat zou je denken. Helaas, maar al te vaak verloren de man-schappen uit het oog wie de vijand nu precies was. Ze knalden een hoop van hun eigen officieren neer.'
    Hij nam een ampul tussen duim en wijsvinger. 'Ik zal niet vragen waar je dit voor nodig hebt. Eén ampul en na afloop kan een redelijk competent Eliza programma je min of meer normaal krijgen. Twee en je bent verslaafd. Drie en ze kunnen je het beste opsluiten in een kooi met verdomd stevige tralies en de sleutel weggooien.'
    Dimitri schoof zijn negen ons chemisch puur germanium naar de arts toe. 'Ik neem ze alle vijf.'
 
 
10
 
Voorbijgangers wendden hun ogen af en stapten haastig opzij voor de man en zijn zwevende brancard. Maniak, berserker. Bewoners van een overvolle wereld herkennen de feromonen van schuimbekkende woede moeiteloos.
    Dimitri had zijn automatische wapen op het nachtkastje laten liggen. De stuurchip was niet al te intelligent en veel te gevoelig voor zijn stemmingen: ongetwijfeld had het pistool iedere voetganger neergemaaid die hem ook maar voor de voeten dreigde te lopen.
    Dimitri's vingertoppen tintelden. Elke schokje van de brancard zond een exquisiete pijnscheut door zijn zenuwstelsel. Ah, om te verminken, vreugdevol te moorden!
 
Al zijn emoties stonden op scherp, zijn liefde en beschermingsdrang voor zijn zoontje tot ondraaglijke intensiteit opgeschroefd.
    Ruk de sterren uit de hemel voor je, zongen zijn gedachten, beuk je een tunnel door de tijd!
 
'Je laat je wapen hier bij mij,' mompelde de bewaker. De man herkende Dimitri nog steeds niet, hoewel de rampenier deze tijdpoort minstens vier keer per week bezocht. Ongetwijfeld was bewaker van een stupide tijdpoort nu niet direct de loopbaan waar hij als jongetje van gedroomd had.
    Dimitri duwde de brancard naar de ingang van de koepel. De bewaker hief zijn wapen ongehaast op. 'Hé, ben je soms leip of zo? Je kunt hem niet naar binnen meenemen. Iedereen kent de belangrijkste regel. Geen paren.' Hij klonk nog steeds verveeld.
    Dimitri haalde zijn schouders op. 'Gebruik je ogen, man. Wettelijk is hij geen mens. Hij bestaat niet eens.'
    De bewaker tuurde in de cilinder. 'Groenverlangen, huh?' Voor het eerst vertoonde zijn gelaat een sprankje emotie. Het was pure afkeer. 'Oké, rol hem maar naar binnen. Hij is geen vrouw en jij bent niet zwanger.'
 
De Yemndi rolde haar ogen, hief een voorpoot. Kom toch binnen, schim uit een ver verleden. Strooi met mineralen, voed onze machines met kostelijke radioactiviteit. Het Spel wacht. Het Spel wacht.
    De tijdpoort toonde eens te meer de volledig uitgewoonde toekomst: een verstilde rimpeling van grijze stuifduinen, de hele wereld een inferieure zentuin, die niet eens verlevendigd werd door artistiek geschikte kiezels.
    Dimitri knipperde tegen de verblindende gloed van de puntbron en stak zijn wafel op de tast in de gleuf.
    Vlekken dansten voor zijn ogen. Eén stolde tot het uitgeteerde gelaat van zijn vrouw.
    'In ieder geval heeft hij jou nog,' zei Jocelyn. 'Ik laat Sergio niet alleen achter.' Woorden die ze nooit gesproken had. Het allereerste symptoom van Ruhr Deco was een onomkeerbare coma.
    De elektroden zwiepten omlaag, doorboorden Dimitri's schedel in een viervoudige wespensteek.
    De poort verkrampte en het dwergzonnetje verdween.
    Dimitri opende zijn ogen: de magma oceanen van een onvoorstelbaar jonge aarde worstelden onder de stollende korst, beukten met vuisten van witheet metaal tegen de puimsteeneilanden.
    Dimitri zoog hun razernij gretig op: in zijn hersenstam ontwaakte een even verterend vuur.
    Verander! Evolueer! Bouw mij bergen!
 
 
Wolkenflarden snelden door een okergele hemel. Silhouetten cirkelden in het oog van de storm. Dimitri ontblootte zijn tanden in een woordeloze grauw. Ze waren nog steeds verkeerd, gekleed in te kil vlees. Veerloos.
    Zijn zenuwknopen gloeiden als ingevangen zonnen.
    Evolueer!
    En plotseling versierden bloemenslingers de duistergroene wouden. Het boven Krijt! Hij was de sombere naaldwouden van het rijk der saurussen voorbijgeschoten...
    Hij merkte niet dat zijn naam die van de grootmeester verving op het scorebord.
    Een streep vuur sneed door de hemels, een tweede, een derde. Het land kleurde wit. Sneeuwstormen woedden.
    Dimitri voelde een wilde vreugde. De planetoïden waren neergestort: een drievoudige cimbaalslag die het einde der saurussen aankondigde.
    Niemand kwam ooit zo ver! Ik ben de eerste om hun Fimbul winter te zien, hun ijzig Ragnarok.
    Hij proefde bloed, de welkome pijn van een doorgebeten lip.
 
Dimitri bereed de schokgolf van zijn furie, van zijn hunkering.
    De weelderige jungles lagen nu ver achter hem. Gras stroomde in een groene vloed over de vlaktes uit. Eoceen? Mioceen?
    Zijn concentratie verslapte een moment en hij werd zich ineens afgrijselijk bewust van de zuiging van het diepe verleden. Dat hij een zelfgeworpen steen was, die het hoogste punt van zijn baan bereikt had en nu enkel kon terugvallen.
    Laat me het nog een minuut volhouden, smeekte hij. Geef mij de laatste winters. Geef mij de roodharige mammoet, de snelvoetige gazelle.
    Een bleke flikkering, zo subliminaal dat het even goed verbeelding kon zijn geweest.
    Laat het de IJstijd zijn, heilige God, laat het de IJstijd zijn!
    Hij rukte aan de brancard, terwijl pure wanhoop de poort stabiel hield. Een keiharde zet: de brancard gleed soepel door de poort en bleef een halve meter boven de wuivende halmen zweven.
    Dimitri sprong en smakte voorover in het stugge gras. Hij krabbelde overeind, zijn spieren zo slap als deeg.
    We haalden het. We haalden het. De groene wereld, de blauwe hemel. Ik ben in je droom, Sergio!
    Hij zocht de horizon af. Geen dunne draad van rook, maar hij wist dat hij er spoedig één zou ontdekken. Dit was het Tijdperk van de Mens.
    Dimitri verbrak de verzegeling van de cilinder en vlijde zijn zoon in de geurende zegge. Aasvliegen zoemden.
    Sergio's gladde gezicht leek totaal ontspannen. De eerste aanzet van een glimlach speelde om de lippen van zijn zoon.
    'Nog even,' fluisterde Dimitri. 'Nog even en je ontwaakt.'



excerpt uit "Laserlicht" © 2014 Tais Teng en Verschijnsel
www.verschijnsel.net